Piekeren is geen angstsymptoom

UTRECHT – Piekeren wordt ten onrechte geclassificeerd als een angstsymptoom. Dat concluderen William W. Hale III, Theo Klimstra en Wim Meeus van de Universiteit Utrecht. De onderzoekers, verbonden aan de Onderzoeksgroep Adolescentie, onderzochten vijf jaar lang 1200 middelbare scholieren. Bij hen werd elk jaar aan de hand van vragenlijsten zowel piekeren als neuroticisme gemeten.

Ze concluderen dat piekeren niet hetzelfde is als neuroticisme en dat het ook geen angstsymptoom is, maar veel meer een persoonlijkheidstrek. Hun bevindingen zijn deze week online verschenen in het toonaangevende Amerikaanse Journal of Clinical Psychiatry.

Levenslang piekeren
Onophoudelijk piekeren, een kenmerk van de zogenaamde Gegeneraliseerde Angst Stoornis (GAS), manifesteert zich vanaf de adolescentie en werkt door tot in de volwassenheid.

Mensen bij wie deze stoornis wordt gediagnosticeerd, geven vaak aan dat ze er al hun hele leven aan lijden. Ook identificeren zij zich vaak met deze stoornis (“ik ben een piekeraar”). Dit was voor de Utrechtse onderzoekers aanleiding om te onderzoeken of piekeren een angststoornis of een persoonlijkheidstrek is.
De bevindingen van de Utrechtse onderzoekers zijn van belang voor de patiënten die worden behandeld aan GAS. Hale: “De huidige therapieën op het gebied van GAS zijn kortdurende angstbehandelingen, terwijl GAS-patiënten wellicht meer baat hebben bij langer durende persoonlijkheidsbehandelingen.

(c)Gezondheidsnet

Angststoornissen op een rij-angst als slechte raadgever

Angst is een gezonde emotie die we allemaal kennen. Het zorgt ervoor dat we enge steegjes vermijden en actie ondernemen als we bijvoorbeeld gewond zijn. Soms slaat de angst echter door. Bij mensen met een angststoornis heeft angst zich ontwikkeld tot de spreekwoordelijke ‘slechte raadgever’. Angststoornissen behoren tot de meest voorkomende psychische stoornissen. Vrouwen hebben over het algemeen twee keer zoveel kans op een angststoornis dan mannen. De oorzaak van de stoornissen is in veel gevallen een combinatie van aanleg, gevoeligheid, nare ervaringen en een verstoorde balans in hersenstofjes (waaronder serotonine en noradrenaline).

Soorten

Binnen de psychiatrie zijn vele soorten angststoornissen bekend. Dit zijn de meest voorkomende verschijningsvormen:

1. Enkelvoudige fobie (angst voor spinnen, hoogtes, bloed, ongelukken, etc.)
2. Sociale fobie (specifiek: bijvoorbeeld spreken in het openbaar, of gegeneraliseerd: sociale angst)
3. Paniekstoornis, met of zonder agorafobie (pleinvrees)
4. Obsessieve-compulsieve stoornis (dwangstoornis)
5. Gegeneraliseerde angststoornis (overmatig piekeren)
6. PTSS: post-traumatische stress-stoornis
De meeste van deze fobieën en stoornissen worden gekenmerkt door onder andere de volgende symptomen:

concentratiestoornissen
piekeren
agitatie
rusteloosheid
bezorgdheid
ongeduld
slaapproblemen

Focus
Fobieën verschillen op twee punten van de overige stoornissen: focus en duur. Bij fobieën is er een extreme vrees voor een object. Het gevolg is dat patiënten dit object zo goed mogelijk vermijden.
Mensen met een gegeneraliseerde angststoornis en paniekstoornis hebben een willekeurige angst. De eerste groep piekert continu, over letterelijk van alles. Een paniekstoornis kan op elk willekeurig moment optreden, meestal zonder directe aanleiding.

Duur
De angst van fobische patiënten is kortdurend (“Een spin! Wegwezen!”). Patiënten met overige angststoornissen daarentegen lijden langdurig onder hun angst. Mensen met gegeneraliseerde sociale angst en PTSS bevinden zich continu in een staat van verhoogde alertheid.
Ze voelen zich angstig, hulpeloos, soms depressief en worden overal herinnerd aan hun vrees. Ook schrikken ze gemakkelijk. Overheersende angst kan het dagelijks leven behoorlijk moeilijk maken.

Misinterpretaties
Veel angstpatiënten zijn geneigd om gevaar in hun omgeving te zien. Daarnaast zijn ze alerter op lichaamssensaties. Vaak zijn het misinterpretaties van een verhoogde hartslag, zweten en blozen, die de angst mede laten ontstaan.
Normaal gesproken halen we onze schouders op als we merken dat we opgewonden zijn. Angstpatiënten worden er onrustig van: mijn lichaam reageert zo vreemd, er moet wel wat aan de hand zijn!

Neemt deze lichamelijke onrust toe, dan kan in het ergste geval een paniekaanval ontstaan. Dit is een enge ervaring en wordt door mensen omschreven als het gevoel dood te gaan.

Velen doen er na één aanval alles aan om de situatie waarin (of het object waarbij) de aanval optrad, te vermijden. Of te bezweren, door middel van dwangrituelen. Deze gedragingen versterken de angst echter.

Behandeling
Het sterke punt van angststoornissen is dat ze meestal irreëel zijn. Dit maakt de stoornissen goed behandelbaar. Behandeling komt over het algemeen neer op de aanpak van misinterpretaties en onlogische gedachten.
Patiënten krijgen informatie: wat is angst nu werkelijk? Waarom hoeven ze niet bang te zijn? Welke (ineffectieve) acties versterken hun angst?

Daarnaast zijn er gedragstherapieën die de patiënt confronteren met hun vrees. Om deze confrontaties beter aan te kunnen, krijgen patiënten relaxatietechnieken aangeleerd. In sommige gevallen gaat therapie vergezeld met kalmerende medicatie.

Erkenning en hulp
Overmatig angst lijkt voor buitenstaanders soms onterecht en vreemd. Sterker nog: zelfs patiënten die weten diep van binnen dat de angst irreëel is. Niettemin zijn de angstgevoelens levensecht. Net zoals het sociale isolement waar veel patiënten in dreigen te belanden.
Dwangrituelen kunnen letterlijk uren duren. Hierdoor is de patiënt soms niet meer in staat om te werken of (sociale) contacten te onderhouden. Sociale angst en pleinvrees kunnen van een patiënt een gevangene in eigen huis maken.

Het is voor de omgeving daarom belangrijk om de angst niet als onzin af te doen. Probeer de patiënt te stimuleren om zoveel mogelijk ‘enge dingen’ te blijven ondernemen. Zorg er daarnaast voor dat hij/zij hulp zoekt.

(c)Gezondheidsnet

Nieuwe manier voor herinneringsvervalsing

BREMEN – Psychologische onderzoekers hebben een nieuwe manier ontdekt om valse herinneringen te creëren: Door naar handelingen van een ander te kijken, verbeeld je dat je de handeling zelf hebt uitgevoerd. In een experiment lieten ze mensen naar een video kijken waarin iemand een simpele handeling uitvoert – zoals het schudden met een fles.
Een paar weken later verbeelden sommige proefpersonen zich dat ze de handeling zelf hadden uitgevoerd, in plaats van het te hebben gezien in een video. Zelfs wanneer ze voor het experiment werden gewaarschuwd voor valse herinneringen bleef de uitkomst hetzelfde.

Onjuiste herinneringen
Volgens Gerald Echterhoff van de Jacobs University Bremen hoeven mensen zich niet druk te maken over onjuiste herinneringen: “Het is belangrijk dat je weet dat niet al je herinneringen geloofwaardig zijn.
Het geheugen is nou eenmaal niet optimaal, dus je kunt niet alles wat in je hoofd opkomt voor waar aannemen.”

Echterhoff meent dat we door naar anderen te kijken onszelf een handeling kunnen aanleren. Zo leren we als kind bepaalde vaardigheden door naar onze ouders te kijken.
Ook kunnen we door naar anderen te kijken beter voorspellen wat hun volgende handeling zal zijn. Valse herinneringen kunnen een bijeffect zijn van dit mechanisme.

De resultaten van het onderzoek zijn gepubliceerd in Psychological Science.

© Gezondheidsnet

Vaker psychische hulp voor kinderen

AMSTERDAM – De vraag naar therapie bij angsten, gedragsproblemen en somberheid neemt toe. Zorgverzekeraars krijgen bijna 50 procent meer aanvragen voor jongeren onder de 18 jaar.
Kinderen hebben niet méér problemen dan vroeger, maar ouders zijn vaak meer betrokken. Daarnaast is de drempel om professionele hulp in te schakelen veel minder hoog.

Hulpverleners vinden dit een goede ontwikkeling. Wanneer er psychische hulp wordt geboden aan kinderen en hun ouders, kan dit problemen op latere leeftijd voorkomen.

Desondanks zien ze ook dat relatief veel ouders overbezorgd zijn of te hoge verwachtingen hebben van hoe hun kind zou moeten functioneren. Kinderen moeten echter tijd krijgen om zelf te leren omgaan met lastige buien die normaal zijn voor hun ontwikkeling.

© Gezondheidsnet

Pleidooi voor deltaplan alzheimer

AMSTERDAM – Philip Scheltens, hoogleraar neurologie aan de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam, pleit voor een deltaplan om de ziekte van Alzheimer aan te pakken.
De gerenommeerde alzheimerspecialist vindt dat het nieuwe kabinet enkele honderden miljoenen euro’s moet vrij maken voor wetenschappelijk onderzoek en de opvang en verzorging van alzheimerpatiënten.
Dat zegt Scheltens vrijdag in het NCRV-programma Altijd Wat. De Gezondheidsraad stelde in 2002 in een rapport dat het aantal alzheimerpatiënten in 2050 zou zijn verdubbeld tot 340.000 mensen.

Verdubbeling
Scheltens schat dat dit tussen 2030 en 2035 al het geval is. Bovendien zal het aantal alzheimerpatiënten ook veel hoger liggen dan nu wordt ingeschat: van 250.000 nu naar een half miljoen, een verdubbeling dus.
”Die verhoging wordt onder meer veroorzaakt door de enorme vergrijzing, maar ook omdat we beter kunnen diagnosticeren’’, zegt de geestelijk vader van het Alzheimercentrum in het nieuwe Medisch Centrum van de VU.
Koningin Beatrix
Dat centrum wordt dinsdag 28 september door koningin Beatrix geopend. Het deltaplan is nodig, vindt Scheltens, omdat de gezondheidszorg nu niet is opgewassen tegen de alzheimergolf die er aan komt.
Als de inschatting van Sheltens klopt dan lijdt straks één op de 25 Nederlanders aan alzheimer. Hij denkt dat er 25 miljoen euro nodig is voor wetenschappelijk onderzoek naar de oorzaken van de ziekte, zodat wellicht een remedie tegen de dodelijke ziekte kan worden gevonden.
Verpleeghuizen
De enkele honderden miljoenen euro’s zijn onder meer nodig om de verpleeg- en verzorgingshuizen in te richten op de ziekte.
Ook moeten privéwoningen worden aangepast en moet er extra geld en steun naar mantelzorgers, want die krijgen volgens Scheltens aanzienlijk meer werk te verstouwen.

© ANP

Brein remt stressvolle herinneringen

UTRECHT – De hersenen voorkomen zelf dat ze overspoeld raken met emotionele herinneringen, zo blijkt uit onderzoek van het UMC Utrecht.

De neurowetenschappers vermoeden dat dit mechanisme verstoord is bij patiënten met een posttraumatische stress-stoornis (PTSS).

De wetenschappers bestudeerden de zenuwcellen in de amygdala van muizen. Dit is het hersengebied dat betrokken is bij het opslaan van emotionele herinneringen.

Stresshormoon

De muizen kregen het stresshormoon cortisol toegediend, waardoor de zenuwcellen actief werden en een stressvolle herinnering vastlegden in het geheugen.

Wanneer diezelfde zenuwcellen een paar uur later weer in aanraking kwamen met het stresshormoon, werden ze juist minder actief. Hierdoor werd er geen nieuwe stressvolle herinnering vastgelegd.

Neurowetenschapper dr. Henk Karst vermoedt dat dit mechanisme het geheugen beschermt tegen een ‘overload’ aan stressvolle herinneringen. “Je hebt het stresshormoon juist nodig om de activiteit in de zenuwen te verminderen en te zorgen dat je niet overspoeld raakt met traumatische herinneringen.”

Te weinig cortisol

Patiënten met PTSS maken te weinig cortisol aan in hun hersenen. Mogelijk is het tekort aan dit stresshormoon de oorzaak dat sommige mensen last krijgen van angststoornissen, zoals PTSS.

Mensen met een posttraumatische stress-stoornis kampen met herbelevingen van traumatische herinneringen. Hierdoor hebben ze vaak slaapstoornissen, concentratieproblemen en geheugenproblemen.

Pesticiden verhogen kans op ADHD

NEW YORK – Kinderen die pesticiden binnenkrijgen, lopen meer kans om ADHD te ontwikkelen. Dat blijkt uit een Amerikaanse studie, die maandag is gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Pediatrics.

De onderzoekers roepen in hun artikel op groente en fruit voor het eten altijd te wassen, zodat er minder bestrijdingsmiddelen op zitten.

De wetenschappers onderzochten ruim 1100 Amerikaanse kinderen tussen de 8 en 15 jaar. Kinderen die hogere concentraties van de zogeheten organofosforverbindingen in hun lijf hadden, kampten ongeveer twee keer zo vaak met ADHD.

Deze stoornis zorgt voor hyperactiviteit en concentratieproblemen.

De wetenschappers spreken nog niet van een bewezen verband tussen ADHD en pesticiden. Daar is volgens hen meer onderzoek voor nodig.

”Er is toenemende zorg dat bestrijdingsmiddelen verband houden met ADHD”, aldus onderzoeker Marc Weisskopf. ”Dit onderzoek laat zien dat dit verband er mogelijk zelfs is bij kleine hoeveelheden pesticiden.”

Europa

De wetenschappers geven niet aan of de resultaten van hun onderzoek ook voor Europa gelden. In de VS mogen een aantal pesticiden, zoals bijvoorbeeld malathion, nog wel gebruikt worden, terwijl de Europese Unie deze al verboden heeft.

Organofosforverbindingen zorgen ervoor dat de impulsoverdracht tussen zenuwen en spieren geblokkeerd raakt. Daardoor sterft ongedierte. Nadeel van deze stoffen is dat ze ook schadelijk zijn voor de mens.

Gezin heeft invloed op ADHD

NIJMEGEN – ADHD is niet alleen erfelijk, er zijn ook biologische en gezinsfactoren die invloed heben op de ontwikkeling van deze aandachtstekortstoornis. Dit blijkt uit promotieonderzoek van orthopedagoog Cathelijne Buschgens van het UMC St Radboud.

Voor het onderzoek analyseerde Buschgens onder andere enquêtegegevens die verzameld zijn in een Nederlandse studie onder enkele duizenden kinderen en hun ouders en leerkrachten.

Hoog geboortegewicht

Hieruit bleek dat een hoog geboortegewicht van het kind (negen pond of hoger), een moeder die rookt tijdens de zwangerschap en complicaties tijdens zwangerschap en bevalling samenhangen met ADHD-gedrag van het kind.

Het verband is het sterkst als ADHD vaker voorkomt in de familie. Maar ook zonder erfelijke belasting blijft de samenhang met deze factoren bestaan.

Geboortegewicht

Buschgens noemt het opvallend, dat een hoog geboortegewicht een risicofactor voor ADHD is. “Van een laag geboortegewicht is bekend dat het schadelijk kan zijn voor de gezondheid van een kind. Maar van een hoog geboortegewicht zijn veel minder langetermijnrisico’s bekend.”

De gezondheidszorg zou extra alert moeten zijn, als rondom een geboorte een combinatie van deze risicofactoren aanwezig is.

Gezinsfactoren

Ook de relatie tussen ADHD en diverse gezinsfactoren werd bekeken. Een weinig warme, overbeschermende en afwijzende opvoeding hangt samen met meer ADHD-kenmerken bij het kind.

Daarnaast heeft ADHD bij de ouder(s) ook effect op de ouder-kind relatie, en wordt de verhouding tussen broertjes en zusjes onderling beïnvloed door ADHD-gedrag van één van de kinderen.

Een belangrijke aanbeveling van het proefschrift is om bij de behandeling van ADHD van een kind, of van een ouder, alle gezinsleden te betrekken.